Wijziging van de Wms in verband met verzelfstandiging van dislocaties

Op 16 mei 2012 is, met uitzondering van enkele artikelen, de Wet van 25 februari 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met verzelfstandiging van dislocaties (Stb. 2012, 209) in werking getreden. Met deze wet wordt naast de Wet op het primair onderwijs (WPO) ook de Wet medezeggenschap op scholen (Wms) gewijzigd. 

De wijziging betekent dat een dislocatie van een school in het primair onderwijs onder voorwaarden kan worden omgezet in een zelfstandige school. De barrière die de WPO daarvoor opwierp ten aanzien van de eisen waaraan moet worden voldaan om een school te kunnen stichten, wordt binnen zekere grenzen, weggenomen. De MR krijgt instemmingsbevoegdheid ten aanzien van het besluit om een dislocatie of nevenvestiging te verzelfstandigen. Daartoe wordt art. 10 WMS uitgebreid met onderdeel i.

Artikel 10 onderdeel i (instemmingsbevoegdheid) luidt met ingang van 16 mei 2012:

10. i De verzelfstandiging van een nevenvestiging, of een deel van de school of nevenvestiging dat zich op een andere locatie bevindt dan de plaats van vestiging van die school of nevenvestiging op grond van artikel 84a van de Wet op het primair onderwijs. 

Art. 11 onderdeel c (adviesbevoegdheid) wordt aangepast. Dit artikel luidt per 16 mei 2012:

11 c. ten aanzien van beëindiging, belangrijke inkrimping, niet zijnde een verzelfstandiging als bedoeld in artikel 84a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, of uitbreiding van de werkzaamheden van de school of van een belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

Ook art. 12 WMS (instemmingsbevoegdheid van de personeelsgeleding) en art. 13 WMS (instemmingsbevoegdheid van de oudergeleding) zijn aangepast. Per geleding moet instemming worden gevraagd voor de regeling van de gevolgen voor de achterban van die geleding.