Wet ter modernisering en vereenvoudiging van de normen voor onderwijstijd in het vo

Na jarenlange discussie wordt de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs per 1 augustus 2015 vereenvoudigd en gemoderniseerd. De nieuwe wetgeving biedt scholen meer ruimte om het onderwijsprogramma flexibel in te vullen. Er ontstaan ook meer mogelijkheden voor maatwerk voor individuele leerlingen. Bij besluiten over onderwijstijd moet de school overleggen met de (G)MR of met zijn geledingen. Op een aantal punten heeft de medezeggenschap op grond van de Wms instemming- of adviesrecht. Zij kan daarmee bijdragen aan een goede invulling van de onderwijstijd en aan de kwaliteit van het onderwijs. 

Wat is onderwijstijd?
Het moet gaan om onderwijsactviteiten die onder de verantwoordelijkheid van de school bewust gepland en verzorgd worden. Op schoolniveau moet met instemming van de medezeggenschap worden afgesproken welke activiteiten meetellen als onderwijstijd.

Aanleiding en doelstelling van de nieuwe wet over onderwijstijd

De huidige regels voor de onderwijstijd worden in de praktijk ervaren als te complex en te rigide. Daarom is in het Nationaal Onderwijsakkoord in 2013 afgesproken de wettelijke onderwijsnormen te vereenvoudigen en te moderniseren. Dit heeft geleid tot de nieuwe wet, die scholen meer beleidsruimte biedt bij de invulling, spreiding en planning van de onderwijstijd, met maximale ruimte voor maatwerk voor leerlingen. Centraal staat de kwaliteit in plaats van het tellen van het aantal uren. De wet vermindert de regeldruk die wordt ervaren met de bestaande regelgeving op het gebied van onderwijstijd.

Meer maatwerk voor leerlingen 
Alle leerlingen moeten een programma kunnen volgen dat in totaal ten minste de omvang heeft van de nieuwe urennorm, maar hier kan van afgeweken worden op individuele basis, bijvoorbeeld bij leerlingen met een achterstand of bij excellente leerlingen. Voor een bepaald vak kan bijvoorbeeld drie uur zijn ingeroosterd, maar voor sommige leerlingen is twee uur voldoende. De tijd die overblijft kan dan aan een project of aan een ander vak worden besteed. Er ontstaat  ook ruimte voor didactische variatie. Zo kan er gebruik worden gemaakt van begeleide zelfstudie, e-learning, praktijkleren, extra ondersteuning of extra uitdagende opdrachten. 

Wat verandert er voor de school?

De belangrijkste wijziging is dat de wettelijke urennorm in het voortgezet onderwijs niet meer per leerjaar en per leerling wordt geregeld, maar per opleiding (vwo, havo, vmbo en mavo). De wettelijke schotten tussen de leerjaren worden weggenomen. De bestaande urennormen van 1040, 1000 of 700 uur per leerjaar worden vervangen door 5.700 uur (vwo), 4.700 uur (havo) en 3.700 uur (vmbo en mavo). Dit wordt geregeld in het nieuwe artikel 6g van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Alleen in het praktijkonderwijs en in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel en het uitstroomprofiel dagbesteding in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) blijft de norm van 1000 klokuren per jaar gehandhaafd. Het minimumaantal dagen per jaar waarop les wordt gegeven blijft 189 dagen. 

Wat verandert er in de Wms?

In de Wms verandert alleen een aantal verwijzingen naar artikel 6g van de WVO. De artikelen 8, 10, 13 en 14 worden daarop aangepast. Alleen een technische wijziging van de Wms dus, maar wel een met gevolgen voor de bevoegdheden van de medezeggenschap. Want de nieuwe regeling van de onderwijstijd kan bijvoorbeeld invloed hebben op de regeling van de vakantie, het lesuitvalbeleid, de invulling van de onderwijstijd, de planning en invulling van de roostervrije dagen, het lesrooster en het taakbeleid. Allemaal onderwerpen waaraan de (G)MR, het ouder/leerlingdeel van de MR of het personeelsdeel (PMR) instemming moet verlenen of waarover hun advies moet worden gevraagd. 

Lesuitval
Scholen zijn verplicht om beleid te voeren ten aanzien van lesuitval.
Met de nieuwe wet kan lesuitval in het ene schooljaar worden opgevangen in het volgende schooljaar. Dit voorkomt piekbelasting in werkdruk en ‘planningskramp’.

Overzicht bevoegdheden van de medezeggenschap over onderwijstijd​

De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad (G)MR heeft:

instemmingsrecht op de planning van de roostervrije dagen (art. 10 onder j Wms)

adviesrecht over het lesrooster in het voortgezet onderwijs (art. 11 onder a Wms)

adviesrecht over de regeling van de vakantie (art. 11 onder l Wms)

recht op informatie over de invulling en spreiding van de uren binnen het onderwijsprogramma over de verschillende leerjaren (art. 8 lid 2 onder i Wms)

recht op informatie over de daadwerkelijk verzorgde uren per schooljaar (art. 8 lid 2 onder i Wms)

De ouder/leerlinggeleding heeft:

instemmingsrecht op de invulling van de onderwijstijd: het totaal aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd wordt geprogrammeerd (art. 14 lid 4 Wms)

instemmingsrecht op het lesuitvalbeleid (art. 14 lid 4 Wms)

De personeelsgeleding P(G)MR heeft:

instemmingsrecht op de invulling van de roostervrije dagen (art. 12 lid 1 onder r Wms)

instemmingsrecht op het taakbeleid (art. 12 lid 1 onder h Wms)

instemmingsrecht op het transitieplan (art. 8.4 cao vo 2014-2015)