Bevoegdheden

De Wet medezeggenschap op scholen (Wms) kent algemene bevoegdheden en bijzondere bevoegdheden toe aan de verschillende medezeggenschapsorganen.

Algemene bevoegdheden

De algemene bevoegdheden van de (G)MR, de OPR en de geledingen bestaan uit drie rechten:

  • het recht op overleg (artikel 6 Wms);
  • het initiatiefrecht (artikel 6 lid 2 Wms);
  • het recht op informatie (artikel 8 Wms).

Bijzondere bevoegdheden: instemming of advies?

De bijzondere bevoegdheden bestaan uit instemmingsbevoegdheden en adviesbevoegdheden. De instemmingsbevoegdheden en adviesbevoegdheden van de verschillende medezeggenschapsorganen volgens de Wms vindt u in het overzicht hieronder. U kunt het overzicht ook downloaden in pdf.
Het overzicht is bijgewerkt tot 1 januari 2017. Van de wettelijke verdeling van bevoegdheden kan bij reglement worden afgeweken op initiatief en met instemming van 2/3 deel van de (G)MR.

Downloaden

Overzicht instemming- en adviesbevoegdheden (pdf)

 

Instemmings- en adviesbevoegdheden (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad en ondersteuningsplanraad onder de WMS

I = instemming

A = advies

P = personeelsgeleding

O/L = ouders- en leerlinggeleding

O = oudergeleding

L = leerlinggeleding

Artikel 10. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad

Artikel 10. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad

MR

P

O/L

O

L

1. Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:

         

a. verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school;

I

       

b. vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het leerplan of de onderwijs- en examenregeling;

I

       

c. vaststelling of wijziging van een mogelijk schoolreglement;

I

       

d. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het verrichten van ondersteunende werkzaamheden door ouders ten behoeve van de school en het onderwijs;

I

       

e. vaststelling of wijziging van regels op het gebied van het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid, voor zover niet behorend tot de bevoegdheid van de personeelsgeleding;

I

       

f. de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen anders dan in artikel 13, eerste lid onderdeel c, en artikel 14, tweede lid, onderdeel c, bedoeld en niet gebaseerd op de onderwijswetgeving indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden respectievelijk het onderwijs en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd;

I

       

g. de vaststelling of wijziging van de voor de school geldende klachtenregeling;

I

       

h. overdracht van de school of van een onderdeel daarvan, respectievelijk fusie van de school met een andere school, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake, waaronder begrepen de fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 64b van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66b van de Wet op de expertisecentra en artikel 53f van de Wet op het voortgezet onderwijs;

I

       

i. de verzelfstandiging van een nevenvestiging, of een deel van de school of nevenvestiging dat zich op een andere locatie bevindt dan de plaats van vestiging van die school of nevenvestiging op grond van artikel 84a van de Wet op het primair onderwijs;

I

       

j. de vaststelling of wijziging van de data, bedoeld in artikel 17 van het Inrichtingsbesluit WVO.

I

       

2. Voor het benoemen van een bestuurder wordt een sollicitatiecommissie ingesteld. Hierin zitten in ieder geval één vertegenwoordiger uit of namens de personeelsgeleding van de MR, en één vertegenwoordiger uit of namens de oudergeleding van de MR.

         

Artikel 11. Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad

Artikel 11. Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad

MR

P

O/L

O

L

1. De medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:

         

a. vaststelling of wijziging van het lesrooster in het voortgezet onderwijs;

A

       

b. vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school, waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen die door het bevoegd gezag ten behoeve van de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn ontvangen, met uitzondering van de middelen, bedoeld in artikel 13, eerste lid onderdeel c, en artikel 14, tweede lid, onderdeel c;

A

       

c. beëindiging, belangrijke inkrimping, niet zijnde een verzelfstandiging als bedoeld in artikel 84a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, of uitbreiding van de werkzaamheden van de school of van een belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

A

       

d. het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

A

       

e. deelneming of beëindiging van deelneming aan een onderwijskundig project of experiment, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

A

       

f. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de organisatie van de school;

A

       

g. vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van aanstellings- of ontslagbeleid voor zover die vaststelling of wijziging verband houdt met de grondslag van de school of de wijziging daarvan;

A

       

h. aanstelling of ontslag van de schoolleiding;

A

       

h1. aanstelling of ontslag van de leden van het bestuur;

A

       

i. vaststelling of wijziging van de concrete taakverdeling binnen de schoolleiding, alsmede vaststelling of wijziging van het managementstatuut;

A

       

j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating en verwijdering van leerlingen;

A

       

k. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating van studenten die elders in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs;

A

       

l. regeling van de vakantie;

A

       

m. het oprichten van een centrale dienst;

A

       

n. nieuwbouw of belangrijke verbouwing van de school;

A

       

o. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het onderhoud van de school;

A

       

p. vaststelling of wijziging van de wijze waarop de voorziening, bedoeld in artikel 45, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, wordt georganiseerd;

A

       

q. vaststelling van de competentieprofielen van de toezichthouders en het toezichthoudend orgaan alsmede van de leden van het bestuur; en

A

       

r. vaststelling of wijziging van het schoolondersteuningsprofiel, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

A

       
           

2. Het eerste lid, onderdeel q, is niet van toepassing op de medezeggenschapsraad van het samenwerkingsverband.

         

Artikel 11a Adviesbevoegdheid ondersteuningsplanraad

Artikel 11a Adviesbevoegdheid ondersteuningsplanraad

OPR

P

O/L

O

L

De Ondersteuningsplanraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:

         

a. de vaststelling van de competentieprofielen van de toezichthouders en het toezichthoudend orgaan, alsmede van de leden van het bestuur van het samenwerkingsverband; en

A

       

b. aanstelling of ontslag van de leden van het bestuur van het samenwerkingsverband.

A

       

Artikel 12. Instemmingsbevoegdheid personeelsdeel medezeggenschapsraad

Artikel 12. Instemmingsbevoegdheid personeelsdeel medezeggenschapsraad

MR

P

O/L

O

L

1. Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

         

a. regeling van de gevolgen voor het personeel van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 10 onder i, of artikel 11 onder c, d, e en m;

 

I

     

b. vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie;

 

I

     

c. vaststelling of wijziging van regels met betrekking tot de nascholing van het personeel;

 

I

     

d. vaststelling of wijziging van een mogelijk werkreglement voor het personeel en van de opzet en de inrichting van het werkoverleg, voor zover het besluit van algemene gelding is voor alle of een gehele categorie van personeelsleden;

 

I

     

e. vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel;

 

I

     

f. vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel;

 

I

     

g. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toekenning van salarissen, toelagen en gratificaties aan het personeel;

 

I

     

h. vaststelling of wijziging van de taakverdeling respectievelijk de taakbelasting binnen het personeel, de schoolleiding daaronder niet begrepen;

 

I

     

i. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot personeelsbeoordeling, functiebeloning en functiedifferentiatie;

 

I

     

j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het overdragen van de bekostiging;

 

I

     

k. vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het re-integratiebeleid;

 

I

     

l. vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk werk;

 

I

     

m. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van het personeel;

 

I

     

n. vaststelling of wijziging van een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van het personeel;

 

I

     

o. vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van het bevorderingsbeleid of op het gebied van het aanstellings- en ontslagbeleid voor zover die vaststelling of wijziging geen verband houdt met de grondslag van de school of de wijziging daarvan;

 

I

     

p. vaststelling of wijziging van regels waarover partijen die een collectieve arbeidsovereenkomst hebben gesloten, zijn overeengekomen dat die regels of de wijziging daarvan in het overleg tussen bevoegd gezag en het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad tot stand wordt gebracht;

 

I

     

q. vaststelling of wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 28, voor zover die betrekking heeft op personeel.

 

I

     

r. vaststelling of wijziging van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de dagen, bedoeld in artikel 10, onderdeel j.

 

I

     
           

2. Het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs dat tevens bevoegd gezag is van een of meer basisscholen behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel van eerstgenoemde school is gekozen voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de inzet van de bekostiging die op grond van artikel 120, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs aan eerstgenoemde school is toegekend.

 

I

     

Artikel 13. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad bij een school als bedoeld in de WPO en de WEC, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs

 

Artikel 13. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad bij een school als bedoeld in de WPO en de WEC, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs

MR

P

O/L

O

L

1. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

         

a. regeling van de gevolgen voor de ouders of leerlingen van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 10, onder i, of artikel 11 onder c, d, e en m;

   

I

   

b. verandering van de grondslag van de school of omzetting van de school of van een onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

   

I

   

c. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;

   

I

   

d. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van de leerlingen;

   

I

   

e. vaststelling of wijziging van een mogelijk ouder- of leerlingenstatuut;

   

I

   

f. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan tussenschoolse opvang;

   

I

   

g. vaststelling van de schoolgids;

   

I

   

h. vaststelling van de onderwijstijd voor zover het geen voorgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra betreft;

   

I

   

i. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van ouders en leerlingen;

   

I

   

j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot activiteiten die buiten de voor de school geldende onderwijstijd worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag;

   

I

   

k. vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen bevoegd gezag en ouders.

   

I

   

2. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, behoeft, ten aanzien van voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op expertisecentra, voorafgaand aan instemming met betrekking tot de vaststelling van de gehele schoolgids als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, afzonderlijk instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en de leerlingen is gekozen voor het in die schoolgids opgenomen onderdeel met betrekking tot de jaarlijkse vaststelling van het totaal aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 6g, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel artikel 25, eerste lid van de Wet op de Expertisecentra wordt geprogrammeerd alsmede voor het onderdeel met betrekking tot het beleid ten aanzien van lesuitval als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet op de expertisecentra.

   

I

   

Artikel 14. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad bij een school als bedoeld in de WVO of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de WEC

 

Artikel 14. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad bij een school als bedoeld in de WVO of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de WEC

MR

P

O/L

O

L

1. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en van een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

         

a. de vaststelling van de schoolgids;

   

I

   

b. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot activiteiten die buiten de voor de school geldende onderwijstijd worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

   

I

   
           

2. Het bevoegd gezag behoeft tevens de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

         

a. regeling van de gevolgen voor de ouders van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 11 onder c, d, e en m;

     

I

 

b. verandering van de grondslag van de school of omzetting van de school of van een onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

     

I

 

c. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;

     

I

 

d. de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het beheersbaar houden van de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd voor schoolkosten, met uitzondering van lesmateriaal, als bedoeld in artikel 6e, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;

     

I

 

e. vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut;

     

I

 

f. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van ouders;

     

I

 

g. vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen bevoegd gezag en ouders.

     

I

 

3. Het bevoegd gezag behoeft tevens de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

         

a. regeling van de gevolgen voor de leerlingen van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 11 onder c, d, e en m;

       

I

b. vaststelling of wijziging van het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een mogelijk leerlingenstatuut anders dan bedoeld in artikel 24g van de Wet op het voortgezet onderwijs;

       

I

c. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van de leerlingen;

       

I

d. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van leerlingen;

       

I

e. vaststelling of wijziging van het leerlingenparticipatiebeleid, bedoeld in artikel 24 a, eerste lid, onderdeel ia, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

       

I

4. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voorgezet onderwijs en van een school voor voorgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra behoeft voorafgaand aan instemming met betrekking tot de vaststelling van de gehele schoolgids als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, afzonderlijk instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en de leerlingen is gekozen voor het in die schoolgids opgenomen onderdeel met betrekking tot de jaarlijkse vaststelling van het totaal aantal uren en soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 6g, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel artikel 25, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra wordt geprogrammeerd alsmede voor het onderdeel met betrekking tot het beleid ten aanzien van lesuitval als bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet op het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet op de expertisecentra.

   

I

   

Artikel 14a. Instemmingsrecht ondersteuningsplanraad

Artikel 14a. Instemmingsrecht ondersteuningsplanraad

OPR

P

O/L

O

L

1. Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad met betrekking tot de vaststelling of wijziging van het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs.

I

       
           

Artikel 16. Bevoegdheden gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

Artikel 16. Bevoegdheden gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

GMR

P

O/L

O

L

1. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad treedt, indien het aangelegenheden betreft die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle scholen of voor de meerderheid van de scholen, in de plaats van de medezeggenschapsraad van die scholen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de onderscheiden geledingen van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad indien het bevoegdheden van een geleding van de medezeggenschapsraad betreft.

         
           

2. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot:

         

a. vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de desbetreffende scholen, waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen die aan het bevoegd gezag ten behoeve van elk van de scholen uit de openbare kas zijn toegerekend of van anderen zijn ontvangen;

A

       

b. de criteria die worden toegepast bij de verdeling van deze middelen over voorzieningen op bovenschools niveau en op schoolniveau;

A

       

c. de aanstelling of het van ontslag van personeel dat is belast met managementtaken ten behoeve van meer dan een school.

A

       
           

3.) Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie van personeel dat is benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een school.

I