Ondernemingskamer: OMR niet-ontvankelijk in beroep tegen uitspraak geschillencommissie WMS

Op 17 februari 2020 deed de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) uitspraak (108846) in een door de oudergeleding van de MR (OMR) ingediend nalevingsverzoek over de vergoeding van kosten van rechtsbijstand. Tegen deze uitspraak stelde de OMR beroep in bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer deed op 19 augustus 2020 uitspraak en oordeelde dat de OMR niet-ontvankelijk is in het beroep. Daarnaast gaf de Ondernemingskamer een overweging ten overvloede over de hoogte van de vergoeding.

Oordeel LCG WMS

De Commissie oordeelde dat de bijstand van de gemachtigde aan de OMR in eerder aanhangig gemaakte geschillen (108255/108519/108726) redelijkerwijs noodzakelijk was, maar matigde het toe te kennen bedrag voor het raadplegen van de deskundige tot een bedrag van € 750,-.
Voor de rechtsbijstand bij het nalevingsverzoek kende de Commissie een bedrag toe van € 1.750,-.

Oordeel Ondernemingskamer

De OMR is op 17 maart 2020 in beroep gekomen tegen de uitspraak van de LCG WMS. Op 1 augustus 2019 was echter de samenstelling van de OMR gewijzigd. De nieuwe OMR-leden hebben per e-mail van 17 maart 2020 de gemachtigde van de voormalige OMR meegedeeld dat zij niet betrokken zijn geweest bij de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de LCG WMS en dat zij niet willen dat hij in naam van de OMR beroep aantekent tegen de uitspraak.  

De Ondernemingskamer oordeelt dat de voormalige OMR niet-ontvankelijk is in haar beroep. De medezeggenschapsraad en zijn geledingen zijn op grond van de Wms bevoegd om in specifieke gevallen in rechte op te treden. Daarbij is de datum van indiening bepalend voor de ontvankelijkheid. De voormalige OMR was op het moment dat het beroep werd ingediend al afgetreden, zodat alleen de nieuwe OMR beroep had kunnen instellen. Zij heeft expliciet verzocht geen beroep in te stellen. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk.  

In een overweging ten overvloede merkt de Ondernemingskamer op dat zij van mening is dat het bedrag dat is toegekend voor het raadplegen van de deskundige te gering is. Zij geeft daarbij niet aan wat in haar ogen dan wel een redelijk bedrag zou zijn geweest.

Downloaden​

  • Beschikking Ondernemingskamer d.d. 19 augustus 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl (ECLI:NL:GHAMS:2020:2295)
  • Uitspraak LCG WMS d.d. 17 februari 2020 (108846)

Meer uitspraken Ondernemingskamer

Ga naar uitspraken Ondernemingskamer voor alle uitspraken van de Ondernemingskamer over de Wms