OK bevestigt uitspraak LCG WMS en matigt vergoeding voor het voeren van procedures

Ondernemingskamer bevestigt uitspraak LCG WMS over de vergoeding van de kosten van het raadplegen van een deskundige (artikel 28 lid 2 Wms).

Op 26 februari 2018 deed de Landelijke Commissie voor Geschillen (LCG WMS) uitspraak (107962) in een nalevingsgeschil dat door de oudergeleding (OMR) was ingediend over de vergoeding van de kosten van advisering door een deskundige. De LCG WMS wees het verzoek van de OMR niet toe. De Ondernemingskamer heeft het beroep tegen deze uitspraak op 25 september 2018 verworpen.

Oordeel LCG WMS​

De OMR heeft vragen over een aantal aangelegenheden uit de Wms en wendt zich tot een advocaat. De OMR dient een verzoek in bij het bevoegd gezag voor vergoeding van de kosten van de advisering van de advocaat. Het bevoegd gezag wijst dit verzoek af.  De Commissie bepaalt dat een medezeggenschapsorgaan dat een deskundige wenst in te schakelen en daarvoor kosten ten laste van het bevoegd gezag wil brengen, gemotiveerd moet aanvoeren in hoeverre het daarbij gaat om voor dat orgaan redelijkerwijs noodzakelijk te maken kosten, waarover de Wms (artikel 28, lid 2) spreekt. De OMR heeft dit niet gedaan. Verder had de OMR zich voor zijn vragen tot de (voorzitter van de) MR of een beleidsondersteunend medewerker kunnen wenden. Zij heeft dit nagelaten zonder overtuigende redenen. De OMR heeft zich voorbarig tot een extern deskundige gewend.​

Ondernemingskamer verwerpt het beroep tegen uitspraak LCG WMS

De OMR stelde bij de Ondernemingskamer beroep in tegen de uitspraak van de LGC WMS.  De Ondernemingskamer bepaalt dat aanspraak op vergoeding van kosten van een deskundige ook aan MR-geledingen toekomt voor zover het gaat om uitvoering geven aan de hen opgedragen taak. Een van deze taken is overleg voeren met andere geledingen van de MR. De Ondernemingskamer toetst ten volle of het voor de vervulling van de taken van de OMR  redelijkerwijze noodzakelijk was een deskundige te raadplegen. Deze vraag beantwoordt de Ondernemingskamer negatief. De OMR heeft verzuimd eerst zelf informatie in te winnen bij het bevoegd gezag en/of de MR. Verder is het niet aan de OMR om zelf te bepalen in welke mate zij een deskundige wil raadplegen. Het bevoegd gezag moet kunnen beoordelen of dit redelijkerwijs noodzakelijk is en daarvoor is nodig dat de OMR hiervoor voldoende gegevens aanreikt. Dat is niet gebeurd.  Het bevoegd gezag is niet te kort geschoten in de naleving van de Wms, aldus de Ondernemingskamer.

Ondernemingskamer bepaalt kosten van de procedure bij de LCG WMS en de Ondernemingskamer

Voorts oordeelt de Ondernemingskamer dat een geleding een zelfstandige bevoegdheid heeft om een nalevingsgeschil aan de LCG WMS en de Ondernemingskamer voor te leggen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de kosten van zo een geschilprocedure in ieder geval moeten worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten. Dit is onafhankelijk van de vraag welke partij in het ongelijk wordt gesteld.
De Ondernemingskamer bepaalt dat de kosten van de OMR voor het voeren van die procedures ten laste van het bevoegd gezag komen maar matigt het bedrag van die kosten tot € 15.000.

Aan de LCG WMS was alleen het verzoek tot vergoeding van de kosten van de advisering van de advocaat voorgelegd. Het verzoek tot vergoeding van de kosten van het voeren van de procedures  bij de LCG WMS was niet aan de LCG WMS voorgelegd, zodat de LCG WMS daarover ook geen oordeel gegeven heeft. 

Downloaden

Meer uitspraken Ondernemingskamer 

Ga naar uitspraken Ondernemingskamer voor meer uitspraken van de Ondernemingskamer.